Aalsmeer in bijna één millennium

 
De eerste keer dat de naam Aalsmeer in de annalen voorkomt is 1133. In dat jaar geeft gravin Petronella van Saksen belastingopbrengsten en landerijen in 'Alsmar' in eeuwigdurend bezit aan een door haar gesticht nonnenklooster in Rijnsburg. De oorspronkelijke oorkonde die de schenking vermeldt, is verloren gegaan, maar een document uit 1199 verwijst ernaar. In latere bronnen wordt in verband met Aalsmeer ook gesproken over Aelsmeer, Aelsmer, Ailsmair, Alesmare en Alsemaria. Of de 'geleerden' het ooit eens worden over de betekenis, is de vraag. Is het het meer van Al, het Allesmeer, het meer met elzenbossen of het meer dat rijk is aan aal? In het wapen van Aalsmeer, dat dateert van 26 juni 1816, is in elk geval een leeuw afgebeeld met een aal (paling) tussen zijn voorpoten.

Turfsteken, veeteelt en visserij
In de elfde en twaalfde eeuw ontstond Aalsmeer als nederzetting van ontginners van veengronden, die een wildernis van elzen- en wilgenbossen vormden. De bewoners verdienden de kost met veeteelt, binnenvisserij, rietsnijden en vooral turfsteken. Het turfsteken (de turf werd tot liefst vijf meter diep gedolven) werkte in de loop van de eeuwen de vorming van grote meren in de hand. Zo ontstonden de Westeinderplassen, het Stommeer, het Hornmeer, de Oosteinderpoel en het Noorder- en Zuiderlegmeer. Intussen werd het Haarlemmermeer steeds omvangrijker. Drooglegging van meren moest voorkomen dat het water Aalsmeer zou verzwelgen. In 1650 werd het Stommeer drooggelegd en in 1674 het Hornmeer. De Oosteinderpoel en de beide Legmeren volgden respectievelijk in 1867 en rond 1880.

Uitstraling Gouden Eeuw
De inpoldering was de doodsteek voor het turfsteken en de visserij. Nieuw emplooi vonden Aalsmeerders in het kweken van bomen, heesters, groente en fruit, vooral aardbeien (het hoogtepunt van de aardbeienteelt lag tussen 1850 en 1885). De producten, meestal per schuit vervoerd, werden grif verkocht in het nabij gelegen Amsterdam, dat in de zeventiende eeuw, de Gouden Eeuw, welvarend was geworden en explosief was gegroeid. Bomen en heesters waren gewild in de tuinen van de grachtenhuizen en ook in de buitenplaatsen van de gegoede burgerij aan de Amstel en de Vecht en in Kennemerland. Toen al knipten sommige kwekers buxus- en taxusstruiken in bijzondere vormen.

Opkomende bloementeelt
In de negentiende eeuw kwam eerst de potplanten- en later de bloementeelt op, als nevencultuur bij de boom-, heester- en aarbeienteelt. In 1855 telde Aalsmeer volgens officiële gegevens 90 bloemenkwekers, hoewel er nog weinig in de bloemen te verdienen viel. Toch werd merkbaar dat stedelingen meer te besteden hadden; ze kochten steeds vaker planten en bloemen. In de laatste decennia vóór 1900 schakelden de kwekers massaal over op snijbloemen en potplanten. Eerst op de 'koude grond', buiten dus, later in kassen. In 1872 werden in een kas aan de Uiterweg voor het eerst planten (geraniums) verwarmd, om ze te kunnen laten overwinteren. De Uiterweg had ook de primeur van de eerste rozenkas, in 1896. Bevonden de kwekerijen zich aanvankelijk voornamelijk aan die doodlopende weg en het Westeinde, het Oosteinde raakte steeds meer in trek. Ook kwekers van elders streken in het Oosteinde neer.

Machtige handel
Steeds meer bloemen vonden hun weg naar steden in de omgeving. Niet alleen Amsterdam, maar ook Haarlem, Leiden en Den Haag. Daar werden ze uitgevent of naar de markt gebracht. Doorgaans waren het handelaren die de verkoop van bloemen op zich namen – commissionairs of boomkwekers annex handelaren, die hun assortiment aanvulden met bloemen en daarmee goede sier konden maken. De keerzijde van de medaille was dat de handelaren de veelal kleine kwekers mager betaalden. De opkomst van de bloemenexport net na 1900 had als direct gevolg dat het aantal bloemenkwekers toenam.

Eerste veilingen
De kwekers zagen gaandeweg steeds meer heil in het bundelen van krachten, om zo bij handelaren een eerlijkere prijs voor hun waar te kunnen bedingen. De vorm die ze daarvoor kozen, was de coöperatieve veiling. In december 1911 werd in Aalsmeer de eerste opgericht, Bloemenlust in het Oosteinde. Enkele weken later, begin januari 1912, werd in het dorp eveneens een veiling gesticht, de CAV (Centrale Aalsmeersche Veiling). De boomteelt, buxus voorop, en de aardbeienteelt raakten kort daarna in verval. Beide veilingen waren van begin af aan een succes. Zowel de kwekers als de handelaren voeren er wel bij.

Fusie doorbraak
De bloemen- en plantenteelt en, in steeds grotere mate, de bloemen- en plantenhandel zorgden door de jaren heen voor veelsoortige bedrijvigheid en vele banen in Aalsmeer en omgeving. De beide veilingen floreerden. Toen ze gefuseerd waren en in 1972 als VBA (Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer) een herstart maakten in een nieuw complex, nam de groei verder toe. Voordeel was dat er aan de Legmeerdijk en in de directe omgeving voldoende uitbreidingsmogelijkheden waren.

Aalsmeer was en bleef het belangrijkste bloemen- en plantenhandelscentrum in de wereld. Ook na de landelijke veilingfusie per 1 januari 2008, toen afscheid genomen werd van de VBA en 'FloraHolland' haar intrede deed, is Aalsmeer de mondiale nummer één gebleven. Wel is de teelt op Aalsmeers grondgebied flink afgenomen.

Televisiestudio's
Aalsmeer kreeg daarnaast begin jaren negentig een tweede gezicht, toen televisieproducent Joop van den Ende met zijn studio's de oude veilinggebouwen van de CAV betrok. Uit het niets was Aalsmeer ook de plek geworden waar vele bekende tv-programma's werden opgenomen en uitgezonden. Aalsmeer werd een naam in televisieland. Tot de televisiemultinational in 2010 naar Amsterdam verhuisde. Er worden nog steeds enkele programma's in de goed geoutilleerde studio's gemaakt.

Bevolkingsgroei
In 1815 telde Aalsmeer, waartoe inmiddels ook Kudelstaart en Kalslagen behoorden, 1760 inwoners. In 1900 waren dat er bijna 5000 en in 1950 12.500. Daarna zette de bevolkingsgroei zich nog sterker voort. Op 1 januari 2013 was het inwonertal 30.618. De gemiddelde leeftijd van Aalsmeerders is 39,5 jaar. De oudste inwoner is een vrouw van 104.

Er wonen 84 nationaliteiten in Aalsmeer. Burgers met een niet-Nederlands paspoort maken  6 procent van de bevolking uit; onder hen zijn Polen talrijkst (548 per januari 2013).

Bronnen: Geschiedenis van Aalsmeer (Noord-Hollands Archief); Aalsmeer, beknopte geschiedenis van een opmerkelijk dorp (Stichting Oud-Aalsmeer, 1992); Aalsmeer (Wikipedia, juli 2011); VBA-agenda 1987; Aalsmeer in 1000 woorden (Gemeentegids Aalsmeer 2011).