Huisarts Jan Meijer

HOE IS HET NU MET... JAN MEIJER?

[Leni Paul]   Van 1961 tot 1997 was Aalsmeer de woon- en werkplek van Jan Meijer (82). Hij had de dokterspraktijk op de plaats waar voorganger dokter Oei vele jaren had gewerkt. De laatste jaren was de praktijk gevestigd in de Hadleystraat, waar tot vorige maand zijn opvolgers Stam en Goede waren gevestigd. Hoe het anno 2014 met hem is, vertelt de nog vol in het leven staande Meijer, die je zijn leeftijd niet aanziet. We zitten in het ruime,  smaakvol ingerichte appartement in Haarlem met uitzicht op het die lentedag zonovergoten Spaarne.

Dat moet een grote verandering zijn geweest, van het toch nog dorpse Aalsmeer naar Haarlem.
“Het was een grote verandering, ja. Een verlies? Nee, dat niet, het hele leven is in feite een verlies, maar je krijgt er wat voor terug. Aalsmeer is me nog wel erg vertrouwd, ik voel me nog verbonden met Aalsmeer.”

Van jongs af aan arts willen worden?
“Ja. Ik heb nooit aan een ander beroep gedacht, hoewel niemand in mijn familie arts was. Ik was erg geïnteresseerd in het functioneren van de mens, in schizofrenie, in het wonder van het leven, de geboorte, de dood.”

Wat was je voor een kind?
“Nooit een haantje de voorste, eerder een contemplatief, letterlijk en figuurlijk zorgelijk jongetje,
opgegroeid in een moeilijke periode, de jaren 40-45. Ook vlak na de oorlog was het nog een moeilijke tijd. Een en al armoe. Heel Europa kapot. Er was weinig."

In 1952 begon Meijer zijn studie geneeskunde aan de universiteit. In 1960 legde hij de eed van Hippocrates af en was hij huisarts.
“In 1972 is dat veranderd en werd de specialisatie tot huisarts drie jaar. Hoewel ik me dus in 1960 al zelfstandig had kunnen vestigen, wilde ik eerst wat extra kennis opdoen. Ik ben in het Hervormd Diaconessenhuis gaan werken en heb er onder andere op de afdelingen chirurgie en gynaecologie  gewerkt. Daar deed ik bijvoorbeeld veel bevallingen; mooi werk! Het was in die tijd overigens ook niet gemakkelijk aan de bak te komen in een praktijk, er waren te veel jonge artsen.”

Op 29 december 1961 kwam Aalsmeer in zicht: een assistentschap bij dokter Oei, met wie hij eind 1962 een associatie aanging.
(terugkijkend): “Een volslagen andere tijd als huisarts. Oei en ook andere huisartsen waren volledig dienstbaar. Dag en nacht stond een huisarts klaar, er werden ook dagelijks huisbezoeken afgelegd. Oei was een bijzondere man, kende al zijn patiënten, zonder een archief te hebben. Alle vijfendertighonderd patiënten zaten in zijn hoofd.. Voor mij was het aanvankelijk erg moeilijk, al die Maarssens, Keessens, Spaargarens. Oei was belangrijk voor me om al die familieverhoudingen te leren kennen, want werken als huisarts is volkomen anders dan werken in een ziekenhuis.”

“De samenwerking tussen de plaatselijke huisartsen bleef beperkt tot de weekenddienst. Er waren geen gestructureerde afspraken, we waren eenmanswinkels. In 1974 kwam er wel verandering in. Er kwamen avonddiensten en gereguleerde vakantieafspraken en het is met name Bob Klicks geweest die zich voor meer samenwerking heeft ingezet.”

Het was bekend dat je weinig ophad met de farmaceutische industrie.
“Als je bedoelt dat ik weinig had met artsenbezoekers, met  gesponsorde reisjes, etentjes, enzovoort... Nee, ik wilde altijd zelf beslissen!”

Meijer hield bij zijn afscheid in 1997 een indrukwekkend betoog op een bijeenkomst voor medisch specialisten waarbij hij uitgebreid inging op de vele maatschappelijke veranderingen die hij in die 36 jaar meemaakte. Zoals de democratiseringsgolf die tot een gelijkwaardiger relatie dokter-patiënt leidde, de opvattingen over ziekten, maagzweren waarvoor je nog zes weken het bed moest houden, de komst van pil, spiraaltje en penicilline en de opvatting dat iemand na een hartinfarct zes weken rustig thuis moest blijven.

Inmiddels vragen de huidige rigoureuze veranderingen in de gezondheidszorg vrijwel dagelijks aandacht in de media. Volg je die?
“Ja. Om even bij de directe veranderingen in de praktijk te blijven, die zijn gigantisch. Vrijwel alle  huisartsen werken met de computer, velen kijken op hun scherm als er een patiënt bij hen binnenkomt. Men kijkt de patiënt zelf minder aan terwijl dat toch van groot belang is. Zo krijg je toch beperkingen in de contacten. Alles moet efficiënter, digitalisering is belangrijk geworden. Goede verslaglegging is juist zo belangrijk, ik zette in de dossiers altijd tekens, zo van: let op, denk aan.”

Persoonlijk contact is zo veranderd. Nadelig?
(denkt lang na) ”Het zou nadelig kunnen zijn. Driekwart van het diagnosticeren is kijken naar de patiënt die je voor je hebt, hoe hij of zij opstaat, het hele consult is zien. Toen ik in 1997 stopte met mijn praktijk, begon het met computer werken net.”

Efficientië houdt ook in dat spreekuren niet uitlopen.
“O, dat vond ik nooit zo erg, ik heb daar weinig problemen mee gehad. Temeer daar de patiënten daar wel begrip voor hadden.”

Hebben de huidige huisartsen meer vrije tijd?
“Ja, inderdaad. Ze hebben meer vrije tijd dan wij hadden, velen werken in deeltijd, er zijn veel in deeltijd werkende vrouwelijke huisartsen bij gekomen.”

Meer vrije tijd, maar de papieren rompslomp die van de zijde van de verzekeraars en van andere instanties wordt opgelegd is toch veel meer toegenomen?
“Er is inderdaad een enorme bureaucratie ontstaan. Zorgkosten rijzen de pan uit, ook in de hand gewerkt door de techniek van nu, die alles duurder maakt. Er is ook veel meer mogelijk en de patiënt is nog veel mondiger geworden, die leest thuis op zijn computer welke mogelijkheden er voor hem zijn. Ik wil nog graag kwijt dat juist de huisarts de zorg goedkoop houdt. Dat je in een goede verhouding patiënt-huisarts ook een vertrouwensbasis hebt.”

Tot zijn 80ste was de oud-huisarts nog aanwezig tijdens de griepprikdagen in de praktijk bij zijn opvolgers, het echtpaar Goede-Stam.
“Nee, nu niet meer. Soms moet je ergens mee ophouden. Ik lees en reis met mijn partner Ineke graag de wereld over, van de Noordkaap tot Argentinië. We plukken de dag, maar in Aalsmeer kom ik nog wekelijks. Het maakte toch een belangrijk deel uit van mijn werkzame leven.”

(Foto's Arjen Vos)